LiRa-2
LiRa-2 > News Archive
News Archive

Newsletters:
Subscribe to the free electronic newsletter (bimonthly) by sending an email to newsletter@lira-2.com.

These published articles are currently available on this page:


LiRa onderzoekt belemmeringen ketenmobiliteit

Acht ververvoersautoriteiten en één vervoerder onderzoeken samen kansen en mogelijkheden van light rail en ander hoogwaardig openbaar vervoer. Het doel van de samenwerking, LiRa-2 genaamd, is het opdoen en vooral verspreiden van kennis.

LiRa (‘the International Network of Light Rail Cities’) is een samenwerking tussen regionale overheden om allerlei zaken op het gebied van light rail te onderzoeken, met Europese steun vanuit het Interreg-programma. Na de projectgroep LiRa-1 draait sinds januari van dit jaar Lira-2, met als deelnemers acht vervoersautoriteiten: het stadsgewest Haaglanden, de Provincies Limburg en Gelderland, de Greater Manchester Passenger Transport Executive, het East Lancashire Partnership en Wolverhampton City Council/Centro in Groot-Brittannië, Provincie Vlaams-Brabant en de Regio Brussel. De Haagse HTM is de negende deelnemer en tevens de enige vervoerder in het gezelschap.

De afkorting LiRa verwijst dan wel naar light rail, maar het gaat eigenlijk over meer, maakt J. Termorshuizen duidelijk. Namens Haaglanden is hij projectmanager bij LiRa. ‘We kijken naar alle vormen van hoogwaardig openbaar vervoer, ook light train of systemen zoals de Zuidtangent in de Haarlemmermeer.’ LiRa-2 is bezig met het ontwikkelen van een Rapid Transit Options Assessment Tool – in gewoon Nederlands een methode om uit te vinden welk soort openbaar vervoer in welke situatie het best geschikt is. Railvervoer – light of heavy – is tenslotte niet per definitie de beste optie. ‘Er bestaan wel methoden om dat te bepalen, maar die zijn zo ingewikkeld dat je ze eigenlijk pas kunt gebruiken in de definitieve ontwerpfase van een project,’ aldus Termorshuizen. ‘Wij willen daarom een soort “belastingdiskette” maken waarmee een opdrachtgever snel kan uitvinden wat voor openbaar vervoer hem het best past.’ Dat lijkt voor de deelnemers aan LiRa nauwelijks meer nodig, want die hebben bijna allemaal al een vorm van railvervoer of werken aan de invoering daarvan. ‘Klopt, maar we hebben een contactgroep voor geïnteresseerden die zo kunnen profiteren van ons onderzoek. De regio Assen/Groningen doet als eerste mee, de Vlaamse Vervoermaatschappij De Lijn en het Waalse Gewest hebben belangstelling. We zijn nu bezig om zoveel mogelijk andere geïnteresseerden in heel Europa uit te nodigen om lid van de contactgroep te worden.’

‘Naadloze reizen’ Bij een onderzoek naar ketenmobiliteit heeft die kennis al tot tastbare resultaten geleid. Maar wat is er aan ketenmobiliteit eigenlijk nog te onderzoeken? Alleen al in Nederland zijn er tientallen (gesubsidieerde) projecten op dit gebied. Volgens Termorshuizen heeft het wel degelijk nut. ‘Uit dat onderzoek naar “seamless journeys”, zoals we het bij LiRa noemen, is gebleken dat er in ieder land wat anders onder wordt verstaan. In Nederland gaat het om de overstap tussen verschillende modaliteiten, bijvoorbeeld tussen auto en trein, maar in Groot-Brittannië bedoelen ze ermee dat je overstapt tussen twee verschillende vervoermaatschappijen.’ Er zijn voor die overstap, in welke vorm dan ook, allerlei belemmeringen. Er zijn commerciële barrières doordat bedrijven niet met elkaar samenwerken en alleen op hun eigen, kortetermijnbelangen gericht zijn: het komt voor dat een exploitant de reiziger liever een half uur op de volgende eigen bus laat wachten dan een goede overstap op die van de concurrent te geven. Je hebt ook fysieke barrières die letterlijk te slopen zijn, zoals een straat die zo druk is dat het nauwelijks lukt om over te steken naar het busstation aan de overkant. Verder zijn er institutionele barrières – bijvoorbeeld kaartjes die niet geldig zijn bij een andere (concurrerende) vervoerder – en conceptuele barrières. Die laatste zitten in de hoofden van de mensen (‘het openbaar vervoer is te moeilijk’) en zijn misschien wel het moeilijkst aan te pakken. Het onderzoek heeft geleid tot het opzetten van een aantal pilots om de verschillende barrières aan te pakken. Zo wordt bij LiRa-deelnemer Wolverhampton de fysieke barrière tussen station, sneltram en busstation aangepakt door de bouw van een aantal loopbruggen én goede reizigersinformatie. Dat laatste is misschien wat minder indrukwekkend, maar minstens zo wezenlijk als de brug zelf, maakt Termorshuizen duidelijk: ‘Als de reiziger niet weet wat hij aan de andere kant van de brug kan verwachten, dan zal hij er geen gebruik van maken.’ Ook bij de pilot in Gelderland gaat het om het verbeteren van de informatie; die wordt namelijk bij alle bushaltes gestandaardiseerd, in de hoop op meer reizigers en meer klanttevredenheid. ‘Het idee daarachter is dat mensen eerder het openbaar vervoer zullen nemen als dat zich overal op dezelfde, herkenbare wijze presenteert.’

Het project loop tot 2005, maar ook voor die tijd zullen er al deelresultaten worden gepubliceerd.

Meer informatie is te vinden op www.lira-2.com